Zo werk je goed

In de beroepspraktijk krijg je, net als in een BVO, te maken met een verzoek van een opdrachtgever. Als je zo'n hulpvraag of opdracht krijgt, ga je daar niet 'in het wilde weg' mee aan de gang. Je gaat geordend te werk: volgens een van tevoren vastgestelde manier. Je werkt volgens een plan of een doordachte methode. We noemen dat planmatig of methodisch werken.

Methodisch werken

Bij methodisch werken is het belangrijk dat je:

  • De beginsituatie vaststelt. Je hebt een beeld van de hulpvraag, taak of opdracht waarvoor je aan het werk gaat.
  • Een doel formuleert waar je naar toe wil werken. Je weet wat je wilt bereiken .
  • Eerst een plan maakt. Je hebt de route uitgestippeld waarlangs je wilt werken.
  • Het plan uitvoert. Nadat je (voor zover mogelijk) hebt overlegd met betrokkenen over het plan en / of betrokkenen hebt geïnformeerd over het plan.
  • Evalueert en reflecteert. Je kijkt of je hebt bereikt wat je wilde bereiken en of het ging zoals je het gepland had.

Beginsituatie

In je werk krijg je altijd te maken met hulpvragen van cliënten of verzoeken en opdrachten van je werkgever of een instelling. Voor de leesbaarheid gebruiken we verder alleen het woord 'opdrachten' als we dergelijke hulpvragen, verzoeken en opdrachten bedoelen. Ook tijdens je BPV en je opleiding krijg je dergelijke opdrachten voorgelegd.

Om je opdracht goed uit te voeren is het belangrijk dat je weet met wie je te maken hebt. Welke situatie tref je aan bij de cliënt of instelling?
De volgende vragen helpen bij het bepalen van de beginsituatie:

  • Wie geeft de opdracht; wat weet je van de opdrachtgever?
  • Welke instellingen of organisaties zijn betrokken bij de opdrachtgever?
  • Waar gaat de opdracht over?
  • Welke situatie tref je aan?
  • Voor wie is de opdracht bedoeld?
  • Wat is de ontwikkeling van de cliënt?
  • Wat zijn de mogelijkheden van de cliënt?
  • Welke interesses heeft de cliënt?
  • Wie werken er aan de opdracht?
  • Hoeveel tijd is er voor de opdracht?
  • Welke middelen en materialen zijn beschikbaar?

Elke opdracht waar je aan gaat werken heeft een doel. Dat wil zeggen dat er na het uitvoeren van de opdracht een bepaald eindresultaat bereikt moet zijn. Je kunt het doel vaak opsplitsen in kleinere doelen, die je stap voor stap moet realiseren om het hoofddoel te bereiken; we noemen dat subdoelen. Deze subdoelen leiden vaak tot tussenproducten, die je op een of meer momenten ter goedkeuring voorlegt aan je opdrachtgever. Tijdens de opleiding is dat je docent, coach of BPV-begeleider.

Vragen die je jezelf stelt bij het beschrijven van het doel zijn:

  • Wat is de hoofdvraag of het hoofddoel?
  • Hoe ziet het uiteindelijke resultaat eruit?
  • Kun je het hoofddoel opsplitsen in subdoelen? En wat zijn dan de subdoelen die je stapsgewijs gerealiseerd wilt zien?

Plan opstellen
Bij het opstellen van een plan van aanpak of werkplan worden o.a. de volgende vragen gesteld:

  • Welke informatie is al beschikbaar en welke informatie moet gezocht / achterhaald worden?
  • Waar en hoe kan die informatie achterhaald worden?
  • Wat moet er uitgewerkt of gemaakt worden?
  • Wie werkt wat uit?
  • Hoeveel tijd is er om aan de opdracht te werken?
  • Welke hulpmiddelen worden gebruikt?
  • Waar vinden welke handelingen of activiteiten plaats?
  • Hoe regelen we de ontmoetingen voor uitwisseling of overleg?

Informatie verzamelen
Voor het uitwerken van een opdracht heb je informatie nodig, bijvoorbeeld over de organisatie, de doelgroep of de sociale kaart. Er zijn verschillende manieren om informatie te verkrijgen.

  • brainstormen
  • doelgroepanalyse
  • sociale kaart

Informatie verwerken
Als je de informatie verzameld hebt, dan moet je die gaan:

  • ordenen of rubriceren op onderwerp;
  • samenvatten;
  • verwerken in een presentatievorm.

Brainstormen
Brainstormen is een goede manier om ideeën te verzamelen en je gedachten te bepalen. In een groep mag ieder groepslid alle informatie of ideeën naar voren brengen. Alles mag genoemd worden, liefst in korte zinnen. Er wordt geen oordeel uitgesproken over de ideeën; er mag wel toelichting gevraagd worden. Zo verzamel je met elkaar wat je al weet en wek je bij elkaar de interesse op. Stop met brainstormen als er geen nieuwe ideeën meer komen. Uit alle genoemde zaken kies je gezamenlijk de beste opties.

Doelgroepanalyse
De uit te werken opdracht betreft een bepaalde doelgroep. Je weet vast al iets over de doelgroep, echter, het is belangrijk om er een volledig en goed beeld van te hebben. Een doelgroepanalyse brengt de algemene kenmerken van de doelgroep in beeld en geeft een beschrijving van de bijzonderheden, de aspecten die kenmerkend zijn voor deze groep cliënten met een speciale hulpvraag. Deze kenmerken helpen een goed beeld te krijgen van de doelgroep.

Gegevens die van belang kunnen zijn:.

  • grootte van de groep / aantal cliënten;
  • leeftijd / ontwikkelingsfase;
  • geslacht;
  • herkomst / geboorteland / autochtoon / allochtoon;
  • maatschappelijke positie / opleiding / beroep;
  • leef- / woonomstandigheden;
  • financiële positie / inkomen;
  • levensbeschouwing;
  • politieke opvattingen;
  • achtergronden / levensgeschiedenis.

Het is belangrijk voor iedere opdracht te bepalen welke informatie belangrijk is.

Sociale kaart
Een sociale kaart is een overzicht van instellingen, voorzieningen, hulpverleners en activiteiten op het gebied van werk, wonen, zorg en welzijn. Veel instellingen en voorzieningen vind je op de website digitale-sociale-kaart.nl.

Per instelling of organisaties vind je onder andere de volgende gegevens:

  • adres;
  • contactpersonen;
  • openingsuren;
  • uitleg over de werking;
  • beschrijving van de doelgroep.

Zo heeft Nederland een sociale kaart, maar een provincie, een stad, een stadsdeel of een wijk ook. En organisaties hebben een sociale kaart. Zo heeft bijvoorbeeld een kinderdagverblijf mogelijk te maken met basisscholen, een pedagogische dienst en de eerste hulp.

Belang
Er zijn twee redenen waarom je in je werk als agogisch werker een sociale kaart nodig hebt: 

  1. Je moet weten naar welke voorzieningen je een cliënt of een betrokkene kunt doorverwijzen.
  2. Je moet weten waar jijzelf de informatie kunt verkrijgen die je nodig hebt tijdens de begeleiding van de cliënt.

Externe en interne sociale kaart
Een organisatie heeft een externe sociale kaart; hierin staan de voorzieningen die buiten de organisatie zelf te vinden zijn. Grote organisaties hebben ook een interne sociale kaart. Daarin kun je vinden welke activiteiten of dienstverleningen er binnen de organisatie plaatsvinden. Zo heeft een instelling voor mensen met een verstandelijke handicap bijvoorbeeld een eigen afdeling maatschappelijk werk en een orthopedagoog.

Je opdrachtgever heeft ook met externe instanties of interne voorzieningen of dienstverleningen te maken. Voor elke opdracht is het belangrijk om een beeld te hebben van de sociale kaart van je organisatie: je kunt namelijk de betreffende voorzieningen benaderen voor informatie. Kies die voorzieningen of dienstverleningen die voor jullie belangrijk zijn in het kader van de opdracht. Formuleer welke informatie je bij die voorziening kunt halen ten behoeven van de uitwerking van je opdracht. Meer informatie over het begrip 'sociale kaart' vind je hier.

Afspraken
Over het algemeen werk je samen met anderen aan de uitvoering van de opdracht. Iedereen is bezig met het uitvoeren van deeltaken. Om de lijnen en verbanden te blijven zien is het belangrijk om het groepsproces in de gaten te houden. Je kijkt daarom regelmatig of het nog volgens plan gaat en je houdt elkaar op de hoogte, je geeft elkaar feedback, je stimuleert, adviseert en ondersteunt elkaar.

Daarvoor maak je van tevoren afspraken over de volgende zaken:

  • Hoe houden we contact met elkaar, met welke communicatiemiddelen en in welke frequentie?
  • Waar moeten we met name rekening mee houden of alert op zijn?
  • Wat zou er mis kunnen gaan en hoe gaan we daar dan mee om?

Presenteren
Tijdens het werken aan een opdracht en bij de afsluiting presenteer je de (tussen) resultaten, jullie antwoord op de oorspronkelijke vraag of opdracht. De wijze waarop je de resultaten van de opdracht presenteert, is gekoppeld aan het doel van de opdracht. De ene opdracht leent zich meer voor een schriftelijke presentatie, de andere meer voor een mondelinge. We geven enkele presentatievormen weer; de genoemde vormen beogen niet volledig te zijn, misschien vinden jullie een andere passende wijze van presenteren:

  • rapport
  • brochure
  • folder
  • toespraak
  • poster
  • audiovisuele hulpmiddelen
  • storyboard
  • weblog
  • Twitter

En combinatie van genoemde vormen is natuurlijk ook mogelijk.

Rapporteren
De resultaten van het werken aan de opdracht worden vastgelegd in een rapport. Door middel van rapportage informeer je de opdrachtgever over de prestaties die je geleverd hebt. Een rapport geeft de oplossing(en) weer van een probleem of een vraag. Ook beschrijft een rapport hoe de oplossingen of aanbevelingen tot stand zijn gekomen.

Tussenrapportages
De opdrachtgever wil tussentijds op de hoogte gehouden worden van de resultaten. Het is daarom zaak om enkele tussenrapportages te maken. Deze rapportages geven de stand van zaken weer op dat moment en geven de plannen voor, de vooruitzichten op het vervolg. Ook zeggen de tussenrapportages iets over hoe je tot deze resultaten gekomen bent, over hoe je te werk bent gegaan. Door de tussenrapportages bewaken jullie een goede relatie met de opdrachtgever.

Als je bij de opdracht subdoelen hebt geformuleerd, geef je ook per subdoel een tussenrapportage af.

Product en proces
Elke rapportage doet verslag van de stand van zaken met betrekking tot de resultaten, het product, op dat moment. Ook geeft een rapportage weer hoe de oplossingen of aanbevelingen tot stand zijn gekomen, het proces.

Het is verstandig om in de rapportage deze onderdelen te scheiden door een apart productdocument en een apart procesdocument op te stellen.

Het productdocument geeft de oplossingen en aanbevelingen, op grond van de vraag van de opdrachtgever. Dit document is dus een zakelijk rapport.

Het procesdocument beschrijft de gang van zaken tijdens het project. Dit document kan bijvoorbeeld ook beschouwingen over je eigen functioneren of het functioneren van de groep bevatten. Zorg ervoor je administratie gedurende het project goed op orde te houden om aan het eind het proces te kunnen beschrijven. Werkplannen, logboeken en notulen van jullie vergaderingen spelen hierbij een belangrijke rol.

Indeling rapport
Een rapport of projectverslag kun je verdelen in voorwerk (of begin), hoofdwerk (of midden) en nawerk (of eind). Elk van deze delen heeft een standaardonderverdeling. We geven kort de onderverdeling weer:

Voorwerk (begin)

  1. Titelblad; een aantal essentiële gegevens:
    • titel van het verslag
    • naam van het project
    • projectgroep: (tijdens de opleiding: namen en studentnummers van de groepsleden)
    • naam opdrachtgever (c.q. begeleidend docent/mentor)
    • naam instelling (c.q. opleiding)
    • plaats en datum van verschijning
  2. Inhoudsopgave; overzicht van de onderdelen van het verslag met bladzijdennummers
  3. Samenvatting; beknopte (!), maar duidelijke weergave van de kern van het verslag

Hoofdwerk:

  1. Inleiding
probleemstelling (opdracht en eigen doelstelling) en opbouw van het verslag.
  2. Hoofdstukken.
 Deze bevatten de kern van het verslag.
Zorg voor een duidelijke en logische indeling in hoofdstukken en paragrafen. Kies welk deel van de informatie hier thuishoort, welk deel in de bijlagen en wat je weg kunt laten.
  3. Conclusies.
 Hierin komen onderwerpen aan de orde zoals: wat iser bereikt en wat niet, of en hoe de doelstelling is bereikt, wat er nog meer zou kunnen worden gedaan, ….

Nawerk:

  1. Literatuurlijst (indien nodig). De boeken / artikelen waarvan je gebruik hebt gemaakt en waarnaar in het verslag wordt verwezen; de websites die geraadpleegd zijn.
  2. Bijlagen (indien nodig). Een uitwerking van onderdelen van de hoofdtekst waarnaar in het verslag wordt verwezen.
  3. Begrippenlijst of index (indien nodig). Hier staan de gebruikte afkortingen, definities, vaktermen, symbolen.

Toelichting:

Soms zie je ook een 'voorwoord' staan. In een voorwoord kun je informatie kwijt over bijvoorbeeld voor wie het rapport bestemd is (doelgroep), hoe het rapport tot stand is gekomen (project, onderzoek, etc.) en gegevens over jou als auteur. Vaak wordt het voorwoord echter gebruikt voor dankbetuigingen. Opdrachtgevers en begeleiders, worden bedankt voor hun hulp of adviezen tijdens het schrijfproces. Wees daarmee echter terughoudend; voor de meeste lezers is dit oninteressant. Je kunt mensen ook bedanken door bij het rapport een begeleidende brief te voegen waarin je de betreffende persoon persoonlijk bedankt. Het voorwoord kun je dan ook achterwege laten. Het voorwoord is vaak het enige gedeelte in een rapport waarin je schrijft in de persoonlijke vorm, de ik- vorm, of de 'wij-vorm'. De inleiding en de samenvatting zijn veel informatiever voor de lezer. Het is dan ook belangrijk dat je aan dit onderdeel voldoende aandacht besteedt. Je kunt de samenvatting beschouwen als een combinatie van de inleiding en de conclusie, alleen dan in verkorte vorm.

Tips

  • Het schrijfproces verloopt gemakkelijker wanneer je vooraf al grofweg bepaalt welke informatie je in je rapport wilt gebruiken.
  • Vervolgens is het handig de informatie te ordenen. Hierdoor kun je tijdens het schrijven informatie snel terugvinden.
  • Bewaar afbeeldingen (illustraties, grafieken, tabellen, etc.) in een aparte map.
  • Bepaal het lettertype van je rapport. Niets is vervelender dan op allerlaatste moment je hele rapport na te moeten lopen op tabs en spaties vanwege verandering van lettertype.

Brochure
Een brochure bestaat uit een aantal vellen papier die aan elkaar zijn gehecht door middel van nietjes, lijm of (naai)garen. De omvang ligt meestal tussen de 12 en 40 bladzijden. De voordelen van een brochure zijn dat je er redelijk veel in kwijt kunt en dat die uitnodigt tot bewaren. Een brochure leent zich dus voor het uitdiepen van een onderwerp of voor het presenteren van meerdere onderwerpen.

Folder

De folder is wat de term letterlijk suggereert: een vouwblad. Dus een vel papier dat een of meerdere malen is gevouwen. De omvang is beperkt. Er is zelden ruimte voor meer dan één onderwerp. De folder geeft dan ook alleen maar een globaal beeld van het onderwerp. Dat kan voldoende zijn. Soms wekt een folder op tot het zoeken naar meer informatie. Het voordeel van een folder is dat het snel beperkte informatie kan verspreiden in een aantrekkelijke vorm. Het nadeel van een folder is dat de ontvanger vaak niet veel waarde hecht aan 'een foldertje'.

Toespraak
Bij een toespraak is de communicatie vooral eenzijdig. Tweezijdige communicatie is in te bouwen door de gelegenheid te geven vragen te stellen. Een toespraak is gericht op kennisoverdracht. De resultaten zijn echter beperkt: na 15 tot 20 minuten verslapt de aandacht en de toehoorders onthouden meestal niet erg veel. Het is belangrijk een lezing goed te structureren en tussentijds samen te vatten. Ondersteuning door middel van audiovisuele middelen vergroot de effectiviteit.

Poster
De poster, het affiche of aanplakbiljet, is vooral geschikt voor korte en kernachtige boodschappen. Een poster valt op door het grote formaat. De meest gangbare afmeting is 83 bij 118 cm. Posters hang je op plaatsen waar veel mensen langslopen. De vormgeving is heel belangrijk: een poster moet in een flits communiceren. Een nadeel is dat de poster al spoedig niet meer opvalt, meestal na een paar weken.

Storyboard
Het storyboard proces komt oorspronkelijk uit de animatiefilm. De film wordt eerst ruw per shot gevisualiseerd via het storyboard, zodat aanpassingen makkelijk mogelijk zijn. Vaak vertrekt men bij animatiefilm ook vanuit een visueel storyboard, in plaats van een geschreven script. Het storyboard is eigenlijk een uitgetekende versie van een filmscript. En een script kan gezien worden als een proefdruk van een film. Het beschrijft alles wat er te 'zien' en te 'horen' is in de film tot in het kleinste detail.

De tekeningen in een storyboard moeten niet voorzien zijn van alle uiteindelijke details, maar het globale idee van het script moet wel overkomen. Nadat het storyboard gemaakt is en door de opdrachtgever is goedgekeurd kan het creëren van de animatie beginnen. Een goed storyboard stippelt het verhaal van een animatie uit in verschillende scènes en is voor de animator de leidraad waar vanuit de animatie wordt opgebouwd.

Een storyboard ziet er meestal uit als een ouderwetse cartoon of soms als een serie schetsen als het storyboard nog experimenteel is. Een storyboard is dan ook te gebruiken als je een presentatie of iets anders wilt maken waarbij een beeldverhaal nodig is. Maar niet iedereen is in staat om vlug wat schetsen te maken die dat verhaal vertellen.

Evaluatie
Wanneer de opdracht is uitgewerkt, of de vraag is beantwoord, blik je terug op wat er is gebeurd. Als je wilt leren van je fouten is alleen terugkijken niet voldoende. Je moet ook nog conclusies trekken en verbeterpunten aangeven voor een volgende keer. Dit noemen we evalueren. Bij evalueren stel je vragen als: Wat ging goed? Waarom ging het goed? Wat ging fout? Waarom ging het fout? Hoe kan het (nog) beter?

Je evalueert twee zaken:

  1. Het product: wat heeft de uitvoering van het plan opgeleverd?
  2. Het proces: hoe zijn we te werk gegaan?

Productevaluatie
Je stelt je hierbij de volgende vragen:

  • Is het doel bereikt, beantwoordt het resultaat aan de opdracht?
  • Zo ja: motiveer.
  • Zo nee: benoem wat niet behaald is.

Procesevaluatie
Hierbij staan de volgende vragen centraal:

  • Is er volgens plan gewerkt.
  • Zo nee: waardoor kwam dat en hoe en in hoeverre is het plan bijgesteld
  • Was de tijdsindeling goed gekozen
  • Zijn de taken goed verdeeld

Een evaluatie verloopt volgens van tevoren opgestelde punten over wat je wilt evalueren, hoe je wilt evalueren en met wie je gaat evalueren.

Andere belangrijke vragen bij de procesevaluatie zijn:

  • Waren de hulpmiddelen goed gekozen?
  • Waren de werkruimtes geschikt?
  • Verliep de communicatie volgens planning?
  • Hebben er tijdens de uitvoering zich onverwachte situaties voorgedaan; zo ja, hoe ben je daarmee omgegaan?
  • Was de opdracht motiverend opdracht om aan te werken? Licht toe.

Wie evalueren en hoe?
Alle betrokken nemen deel aan de evaluatie; ook met de opdrachtgever, leidinggevenden en begeleiders. De evaluatie vindt plaats d.m.v. een individueel schriftelijk verslag van de product- en procesevaluatie en een gezamenlijk gesprek n.a.v. alle individuele verslagen.

Reflecteren
Alleen evalueren is niet voldoende. Gedurende het werk maar ook bij het afronden van werk reflecteer je op je eigen handelen. Het woord reflecteren betekent terugkaatsen, weerschijnen, beschouwen, overdenken. Nadat je de opdracht hebt voltooid en hebt geëvalueerd laat je je licht nog eens schijnen op de opgedane ervaringen. Je blikt terug op je eigen handelen. Je ziet jezelf terug in de situatie en je ziet wat je deed en hoe je het deed. Je beschouwt de situatie nog eens.

Reflecteren doe je altijd op ervaringen, op iets dat je hebt meegemaakt. Door te reflecteren kun je antwoord geven op de evaluatievragen. Je kunt conclusies trekken en zeggen: 'dat kan ik de volgende keer beter anders doen'. Zo leer je elke keer weer bij. Reflectie op eigen ervaringen doet leren. Je trekt steeds opnieuw lering uit je ervaringen.

Stappenplan reflectie
Maar wat doe je nu eigenlijk als je reflecteert? Welke stappen zet je in je hoofd? Welke stappen spreek je uit?

Stap 1 Je beschrijft de ervaring
Je beschrijft jouw ervaring. De anderen kunnen dezelfde situatie anders hebben ervaren. Iets ervaren is 'op jouw manier iets ervaren'. Je geeft betekenis aan wat je hebt meegemaakt. Een voorwaarde om die betekenis toe te laten is dat je er voor open staat. Je kunt dan zeggen: 'Ik vond dat niet leuk' of 'Ik ben daarin teleurgesteld'. En open staan voor ervaringen is open staan voor het verband tussen wat er daadwerkelijk gebeurde en wat er met jezelf gebeurde. Belangrijk is de vraag te durven stellen: 'Wat gebeurde er met mij en wat betekent dat voor mijn gedrag en voor de keuzes die ik nu maak?'

Voor het vertellen over jouw ervaringen kun je de volgende vragen beantwoorden:

  • Hoe is het werken aan de opdracht gegaan? Wat was mijn rol? Wat werd er van mij verwacht?
  • In welke mate en hoe heb ik aan die verwachtingen voldaan?
  • Wat streefde ik na en hoe streefde ik dat na?
  • Wat was het effect van mijn inspanningen?
  • Hoe voelde ik me daarbij?
  • Wat betekent dit nu voor mij als ik er op terugkijk?
  • Wat betekent dit voor de andere betrokkenen?
  • Wat wil ik nog met hen delen?

Stap 2 Je neemt afstand van je ervaringen
Door als buitenstaander naar je ervaring te kijken neem je er afstand van. Nadenken over wat er gebeurde is onder woorden brengen wat er gebeurde, dat levert helderheid. Je ordent je gedachten.

Vragen die je bij deze stap kunt stellen zijn de volgende:

  • Wat herken ik uit de ervaringen bij deze opdracht? Ben ik dat al eerder tegengekomen?
  • Waardoor gebeurde er wat ik (niet) prettig vond?
  • Wat raakt mij daar zo in?
  • Heb ik dat vaker meegemaakt of is dat nieuw?
  • Wat kan ik daarvan leren?
  • Wat neem ik eruit mee voor de volgende opdracht?

Stap 3 Je bekijkt de situatie van een ander gezichtspunt
Je bekijkt de situatie nog eens van een andere kant en zegt tegen jezelf: zo kan ik er dus ook naar kijken en zo wil ik er de volgende keer mee omgaan. Door over de ervaringen na te denken kom je tot inzichten. Je snapt daardoor ook beter waardoor het ging zoals het ging en waar je gevoel vandaan kwam. Je kunt daardoor ook voor jezelf bedenken wat je de volgende keer wel of niet meer wilt doen.

Je kunt de volgende vragen voor jezelf beantwoorden.

  • Hoe kijk ik nu terug op de situatie? Kijk ik nu anders naar (bepaalde kanten van) de situatie?
  • Wat wil ik bij de volgende opdracht blijven doen/vasthouden?
  • Wat wil ik bij de volgende opdracht niet weer doen of anders doen? Wat wil ik anders aanpakken?

Reflecteren met anderen
Zoals je ziet, reflecteren betekent zelfreflectie. Je kijkt naar jezelf, naar en je denkt na over jezelf. Je komt soms tot de ontdekking dat je vertrouwde gedragspatronen los moet laten en dat je moet oefenen in nieuw gedrag. Afstand ontwikkelen ten opzichte van jezelf en van de situatie is niet altijd even gemakkelijk. Je hoeft het niet alleen te doen.

Je kunt reflecteren met de anderen waar je mee samenwerkte. Door samen met anderen te reflecteren kan je blik ook verbreed worden. Je kunt dan dingen horen en zien die je anders niet gezien zou hebben, of anders. Vanuit een open houding vragen stellen aan je teamgenoten, luisteren naar hun ervaringen en visie levert een waardevolle ondersteuning.

Door gezamenlijk met je teamgenoten te reflecteren kun je antwoord geven op de volgende vragen:

  • Waarin kwamen we overeen en waarin verschilden we in ervaringen?
  • In hoeverre ben ik door de ervaringen en reflecties van anderen van visie veranderd?
  • Welke gezamenlijke uitgangspunten hebben we voor een eventueel gezamenlijk werken aan een volgende opdracht?